Els Kloek staat op de longlist voor de Libris Geschiedenisprijs 2010 voor haar boek De Vrouw des Huizes, een cultuurgeschiedenis van de Hollandse huisvrouw. Wat mij betreft wint ze, want ik heb zelden zo’n gedegen en tegelijkertijd toegankelijk geschreven geschiedenisboek gelezen over zo’n belangrijk onderwerp.
Kloek probeert de vroegste sporen van de huisvrouw terug te vinden, maar dat is moeilijk. Net als nu zien veel mensen het als iets volstrekts vanzelfsprekends dat vrouwen de toiletten schoonmaken en de was doen. Daar praat je niet over, het is niet belangrijk. Dé huisvrouw komt pas in historische bronnen naar voren vanaf de zestiende eeuw, als Nederland zich langzaam begint te vormen. Vrouwen beginnen dan aangeduid te worden als huisvrouw, om aan te geven dat zij getrouwd waren.
Anna Fels zou het werk van Kloek met instemming lezen, want Kloek geeft nauwkeurig weer hoe vrouwen zich volgens de samenleving dienden te gedragen. Of de stem nu van de kansel kwam, of van de wetgever, de boodschap was hetzelfde: vrouwen moesten trouwen en zich opofferen voor man en gezin. Wat zijzelf wenste was niet belangrijk. Veel onderwijs was ook niet nodig, want ze zou toch trouwen. De wet erkende haar alleen als een soort inwonend huishoudster in dienst van de heer des huizes. In de praktijk viel het soms wel mee met die ondergeschiktheid, maar zodra er problemen ontstonden had de vrouw niks in de melk te brokkelen.
Pas in de negentiende eeuw beginnen vrouwen zich luid en duidelijk te verzetten tegen het bestaan van huisvrouw. Het verzet komt uit bepaalde kringen: ongetrouwde vrouwen die geen kant op kunnen in de heersende gezinsideologie, en vrouwen uit eerst welgestelde maar nu verarmde families, voor wie het niet respectabel was om betaald werk te verrichten maar die dat toch moesten doen omdat het gezin anders verhongerde.
Zo stichtten vrouwen als Anna Barbara van Meerten Schilperoort een kostschool voor meisjes, die in de eerste helft van 1800 uitgroeide tot een gerenommeerd instituut. Ook ontstonden toen verenigingen als Arbeid Adelt, met verkoop tentoonstellingen van vrouwenarbeid. Op die manier konden vrouwen anoniem handwerk verkopen en een klein inkomen verdienen, zonder dat iedereen schande sprak van hun activiteiten.

Rond 1900 begon de strijd om het stemrecht voor vrouwen. Die kwestie was al eens besproken in 1793, toen Nederland eindelijk bevrijd was van de Franse overheersing en er een Nationale Vergadering kwam. Mannen met een bepaald inkomen mochten stemmen, maar vrouwen niet. Want, zo zei de eerste voorzitter van deze nieuwe club, de jurist Pieter Paulus: politieke rechten waren voorbehouden aan ieder onafhankelijk lid van de samenleving, en daar behoorden vrouwen niet toe.
Plus, er waren nog andere redenen om vrouwen buiten de deur te houden: vrouwen zouden de vergaderingen veranderen in vrolijke bijeenkomsten en met hun geflirt de mannen kunnen beïnvloeden ‘in hun zo serieuze afwegingen’. [Noot van de Zesde Clan: ook in 1793 heerste er dus al angst dat vrouwen de kwaliteit van het werk omlaag zouden halen. Alleen de argrumenten verschillen. Er is niets nieuws onder de zon, Groene Amsterdammer!]
Enfin, vrouwen kregen uiteindelijk na veel strijd het kiesrecht. Na de eerste en tweede wereldoorlog, tijdens de wederopbouw, beleefde de huisvrouw nog een moment van glorie. Zij was het fundament van de samenleving en vormde het hart van het herstel. Niets leek erop te wijzen dat een deel van de vrouwen opnieuw of nog steeds tabak had van het geïsoleerde leven als vrouw des huizes. Totdat Joke Smit in 1967 de knuppel in het hoenderhok gooide en het menszijn van de huisvrouw aan de orde stelde.

Dat was het begin van de Man Vrouw Maatschappij, de Dolle Mina’s, de vraag ‘wie haalt thuis het haardotje uit de afvoerput’. De wettelijke en juridische handelingsonbekwaamheid van vrouwen verdween dan wel, maar er kwam pas in 1970 een einde aan de formele status van de man als hoofd van het gezin. In 1980 volgde daarop nog de Wet Gelijke Behandeling.
Gezien de lange geschiedenis van de vrouw als onzelfstandig lid van de samenleving, de huisvrouw, gebeurde dit allemaal pas gisteren. En zoals Els Kloek terecht concludeert: culturele tradities zijn taai.
Haar stoepje veegt ze niet meer zo vaak, maar nog steeds hecht ze aan orde en regelmaat, laat ze zich niet koeieneren en vindt ze haar gezin minstens even zo belangrijk als haar loopbaan. Zo lijkt de Hollandse huisvrouw zich opnieuw te hebben aangepast aan de tijd: ze noemt zich liever geen huisvrouw meer, maar ‘thuisblijfmoeder’ of ‘halfverdiener’.